Materiaal:
Schoolbord
woordenboeken, voor elke ll. één. (of evt.
www.encyclo.nl)
Meander lesboeken groep 7

Tijdsduur:
30 minuten

Organisatie:
Op het bord staan de moeilijke woorden van Meander thema 3, groep 7. De betekenissen van deze woorden moeten worden opgezocht in het woordenboek (en tijdens ronde twee in het lesboek). De leerkracht geeft telkens eerst een opdracht en wijst dan één van de woorden aan op het bord. Wie het snelst de opdracht heeft opgelost, krijgt een punt. Nadat de opdracht is opgelost, wordt de omschrijving gelezen en op het bord genoteerd.

Eerste ronde:
Opdrachten
:

–         Op welke bladzijde staat dit woord?

–         Wat is het eerste woord na dit woord?

–         Wat is het laatste woord voor dit woord?

–         Welke trefwoorden staan bovenaan de bladzijde?

–         Wat is het eerste woord op de bladzijde van dit woord?

–         Wat is het laatste woord op de bladzijde van dit woord?

Tweede ronde:
De betekenissen van de ‘overige woorden’ opzoeken in het lesboek. Alle kinderen kunnen hieraan meedoen.

Derde ronde:
De lkr. wijst nu telkens twee woorden aan op het bord.

Opdrachten:
– Zoek de twee woorden op in het woordenboek, noteer de  bladzijden en maak een plussom van deze bladzijden.
– Zoek de twee woorden op in het woordenboek, noteer de bladzijden en maak een minsom van deze bladzijden.

Vierde ronde:
Nadat alle woorden zijn opgezocht, kijkt de leerkracht hoeveel punten de kinderen hebben verdiend. De 5 beste komen vooraan in de klas staan met een woordenboek.

De lkr zegt een op te zoeken woord. De kinderen zoeken het woord zo snel mogelijk. Wie als laatste het woord heeft gevonden, gaat terug op zijn plaats zitten.

Einde van het spel:
Het kind wat het langst blijft staan, is de woordenkampioen van die dag.

 

Woordenlijst thema 3 Meander, groep 7:
Van Dale basiswoordenboek Nederlands vanaf 10 jaar
Bron: plaats waar water door een natuurlijke oorzaak uit de grond komt (blz 103)
Sluis: bouwwerk in een rivier of kanaal met een schuifwand of met deuren, waarmee de waterstand geregeld kan worden (blz 475)
Monding: plaats waar een rivier in zee uitmondt (blz 333)
Dijk: aarden wal om het land tegen water te beschermen (blz 135)
Dijkverzwaring: het versterken van dijken, om de kans op een overstroming te verkleinen (blz 135)
Gemaal: pomp of molen die een polder droog moet maken of houden (blz 188)
Verval: hoogteverschil van het water tussen twee plaatsen in een rivier of kanaal (blz 570)
Industrie: alle fabrieken bij elkaar (blz 241)
Stroomafwaarts: in de richting waarin de rivier stroomt, het tegenovergestelde van stroomopwaarts (blz 506)
Stroomversnelling: plaats in water waar de stroom sterker is dan op andere plaatsen (blz 506)
Uiterwaard: stuk weiland dat tussen een dijk en een rivier ligt en dat bij hoog water onderloopt (blz 542)
Meander: kronkelige bocht in een rivier (blz 319)
Rivierbedding: geul waardoor het water van een rivier loopt (blz 441)
Kribben: dam van gevlochten rijshout en stenen in een rivier, waardoor de bedding smaller wordt en de vaargeul voldoende diep blijft (blz 285).
Gletsjer: grote, dikke ijskorst hoog in de bergen, die langzaam naar beneden zakt (blz 199)
Container: grote laadbak om goederen of afval in te vervoeren (blz 120)
Kanaal: gegraven waterweg (blz 260)

Overige begrippen (op te zoeken in lesboek):
Gemengde rivier:
Zomerdijk:
Zomerbed:
Regenrivier:
Winterbed:
Waterstand:
Volga:
Donau:
Wateren:
Kaspische zee:
Waterwegen:

Voor vakintegratie met Taal:
Extra werkblad toegepast op Groep 6 thema 5

Downloaden (DOCX, Onbekend)

 

 

Woordenkampioen (toegepast op Meander thema 3, groep 7)
 

Je zou ook interesse kunnen hebben in

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *