Leerlijnen en tussendoelen luisteren en lezen met begrip
Leerlijn groep 1-3 

Een belangrijk doel van lezen op de basisschool is dat kinderen in staat zijn om teksten gericht te lezen. Ze moeten leren een leesaanpak te kiezen die past bij de tekstsoort. In de eerste plaats komen ze vanaf groep 1 al in aanraking met verschillende soorten teksten: prentenboeken, informatieve boeken en brieven bijvoorbeeld. In de tweede plaats helpt de leerkracht de kinderen een tekst op een systematische manier aan te pakken. Dat begint al in groep 3. De leerlijn Begrijpend lezen bouwt voort op de leerlijnen Boekoriëntatie, Verhaalbegrip en Functioneel ‘lezen’ en ‘schrijven’. 

Tussendoelen 

De leerlingen 

  • tonen belangstelling voor verhalende en informatieve teksten en boeken en zijn ook gemotiveerd die zelfstandig te lezen 
  • begrijpen eenvoudige verhalende en informatieve teksten 
  • gebruiken geschreven taal als communicatiemiddel 

Referentieniveaus 

1F  

Kan eenvoudige teksten lezen over alledaagse onderwerpen en over onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld. Eenvoudige structuur, lage informatiedichtheid, belangrijke informatie gemarkeerd of herhaald, frequent gebruikte woorden. Tekstsoorten: informatief, instructief (o.a. routebeschrijving, opdracht in methode) en betogend (o.a. reclames).  

1S/2F  

Minder eenvoudige teksten, ook onderwerpen die verder van de leerling afstaan. Teksten hebben heldere structuur, zijn niet te lang en hebben lage informatiedichtheid. 

Leerlijn groep 4-5 

Begrijpend lezen is de verbanden tussen woorden en zinnen in geschreven taal kunnen zien en begrijpen. Een actief, probleemoplossend proces: de leerling achterhaalt tijdens het lezen de betekenis van taal. In de middenbouw is belangrijk dat kinderen leren hoe ze een zakelijke tekst (met informatie, uitleg of een mening) moeten ‘aanpakken’ door leesstrategieën toe te passen. Bijvoorbeeld: het onderwerp bepalen aan de hand van titel of illustraties en hun eigen voorkennis of de betekenis van een moeilijk woord afleiden uit de context. Hoe groter woordenschat en kennis van taal en de wereld, hoe beter begrijpend lezen gaat. 

Tussendoelen  

De leerlingen lezen eenvoudige teksten met begrip en voeren daarbij de volgende leesstrategieën uit. Ze: 

  • bepalen het thema van een tekst en activeren hun eigen kennis over het thema 
  • koppelen verwijswoorden aan antecedenten (‘ze’ verwijst bijvoorbeeld naar ‘de mensen’) 
  • lossen het probleem van een moeilijke zin (of zinnen) op 
  • voorspellen de volgende informatie in een tekst 
  • leiden informatie af uit een tekst. 

Referentieniveaus 

1F  

Kan de letterlijke betekenis van een tekst begrijpen. Kan leesstrategieën hanteren: afhankelijk van het leesdoel bijvoorbeeld globaal of selectief lezen. 

Kan informatie en meningen interpreteren, voor zover deze dicht bij de leerlingen staan.  

1S/2F  

Kan hoofdgedachte van een tekst weergeven. Kan onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken. Kan relaties leggen tussen tekstdelen (inleiding, kern, slot) en teksten. Ordent informatie (bijv. m.b.v. signaalwoorden) voor een beter begrip. Herkent beeldspraak (letterlijk en figuurlijk taalgebruik). 

Legt relaties tussen tekstuele informatie en meer algemene kennis. Kan bedoeling van tekstdelen en/of specifieke formuleringen duiden. Kan bedoeling van de schrijver verwoorden. 

Leerlijn groep 6-8 

Bij begrijpend lezen achterhaalt de leerling tijdens het lezen de betekenis van taal. Door de juiste leesstrategie bij het tekstdoel te leren kiezen, kan hij de informatie vinden die hij nodig heeft om een opdracht te maken of taak uit te voeren. In de bovenbouw leren kinderen hun leesgedrag steeds beter te plannen, controleren en corrigeren. Doelgericht lezen neemt een belangrijke plek in, net als het herkennen van kenmerken van tekstsoorten. Ook krijgen ze door veel te oefenen met teksten en expliciete instructie over leesstrategieën meer zicht op de structuur van teksten. Daarnaast oefenen ze in samenvatten. 

Tussendoelen  

De leerlingen lezen minder eenvoudige teksten met begrip en voeren daarbij de volgende leesstrategieën uit. Ze: 

  • zoeken, selecteren en verwerken op een doelbewuste en efficiënte manier informatie uit verschillende bronnen 
  • leiden betekenisrelaties tussen zinnen en alinea’s af en herkennen inconsistenties 
  • stellen zelf vragen tussen het lezen 
  • bepalen de hoofdgedachte van een tekst en maken een samenvatting 
  • herkennen de structuur van verschillende soorten teksten 
  • plannen, sturen, bewaken en controleren hun eigen leesgedrag 
  • beoordelen teksten op hun waarde 

Referentieniveaus 

1F  

Kan de letterlijke betekenis van een tekst begrijpen.  

Kan leesstrategieën hanteren: afhankelijk van het leesdoel bijvoorbeeld globaal of selectief lezen. 

Kan informatie en meningen interpreteren, voor zover deze dicht bij de leerlingen staan. 

1S/2F  

Kan hoofdgedachte van een tekst weergeven. 

Kan onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken. 

Kan relaties leggen tussen tekstdelen (inleiding, kern, slot) en teksten. 

Ordent informatie (bijv. m.b.v. signaalwoorden) voor een beter begrip. 

Herkent beeldspraak (letterlijk en figuurlijk taalgebruik).  

Kan relaties tussen en binnen teksten evalueren en beoordelen. 

Kan een eenvoudige tekst beknopt samenvatten. 

Legt relaties tussen tekstuele informatie en meer algemene kennis. 

Kan bedoeling van tekstdelen en/of specifieke formuleringen duiden. 

Kan bedoeling van de schrijver verwoorden. 

 

Literatuur: 

Expertisecentrum Nederlands (2010). Begrijpend lezen. Geraadpleegd op 20 november 2017, van http://www.leerlijnentaal.nl/page/99/begrijpend-lezen.html  

SLO (2006). Kerndoelen. Geraadpleegd op 20 november 2017, van http://www.slo.nl/primair/kerndoelen/  

Leerlijnen en tussendoelen
 

Je zou ook interesse kunnen hebben in

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *